De energietransitie voelt soms als een puberteit
Alles verandert, oude zekerheden verdwijnen, maar het nieuwe is nog onduidelijk. Wat ooit overzichtelijk was – energie moest van A naar B, er was een duidelijke opdrachtgever en opdrachtnemer – is vervangen door een veelkoppig systeem. Er is lokale opwek, elektrisch vervoer, teruglopende gasvraag en overvolle netten.
Het oude werkt niet meer. Maar komt er voor in de plaats?
De crisis als groeifase
In de pedagogiek (de wetenschap van opvoeding, ontwikkeling en vorming) wordt een crisis niet gezien als iets dat mis gaat, maar als iets dat nodig is. Een ontwikkelingsfase tussen wat was en wat komt. Ontwikkelingspsycholoog Steven Pont beschreef het onlangs treffend: de puberteit is geen probleem, maar een doorgang, een verbouwing op weg naar volwassenheid.
Die gedachte raakt me, juist in de context van de energietransitie. Want ook onze sector zit midden in zo’n verbouwing. We breken muren af van oude structuren, lineaire ketens, hiërarchische rollen, voorspelbare businessmodellen en proberen ondertussen in hetzelfde huis te blijven wonen. Dat voelt onrustig. Maar misschien hoort dat erbij.
De crisis is de groei
Nieuwe pikorde, nieuwe relaties. Pont beschreef ook hoe elke nieuwe klas zijn eigen “pikorde” vormt: eerst is er chaos, dan afstemming, pas daarna samenwerking. Dat proces kost tijd en vraagt veiligheid.
Precies dat zien we ook in de energiewereld. Nieuwe spelers betreden het veld: energiecoöperaties, gemeenten, burgers, startups, netbeheerders, woningcorporaties. Iedereen zoekt zijn plek, en soms botst het. Oude machtsverhoudingen verschuiven, nieuwe afhankelijkheden ontstaan. Vanuit de pedagogiek bekeken is dat niet vreemd, het moet zo. Voordat een groep functioneert, moet ze eerst leren omgaan met verschil en onzekerheid. En zoeken naar nieuwe vormen van gezag.
Van controleren naar co-reguleren
Een ander inzicht uit de pedagogiek: jonge mensen leren niet door commando’s, maar door ‘co-regulatie’, wat simpel gezegd zoveel betekent als het gezamenlijk oefenen van gedrag. Ook dat herken ik in de energietransitie. We kunnen deze verandering niet ‘aansturen’ zoals vroeger. Er is geen centrale knop meer. We moeten leren bewegen met elkaar, systemen afstemmen, ruimte geven aan experimenten. Misschien vraagt de energietransitie daarom niet zozeer om meer controle, maar vooral om ‘pedagogische moed’:
- om te begrijpen waarom iets gebeurt, vóórdat we ingrijpen;
- om ruimte te laten voor falen, omdat leren anders niet lukt;
- en om veiligheid te creëren in plaats van alleen zekerheid te eisen.
Het collectief herontdekken
De pedagogiek leert ook dat teveel nadruk op het individu leidt tot vervreemding. Geluk, leren en ontwikkeling ontstaan niet in isolatie, maar in relatie. Dat geldt evengoed voor onze sector. We hebben lang gedacht in individuele belangen: wie levert, wie verdient, wie regelt de aansluiting? Maar energie is per definitie collectief. We delen hetzelfde net, dezelfde bronnen en dezelfde toekomst. Misschien moeten we, net als in de pedagogiek, weer leren denken in ‘wij’ in plaats van ‘ik’.
Tot slot
De energietransitie is een maatschappelijk leerproces. En zoals bij elke vorm van leren, hoort daar onrust en onzekerheid bij en soms zelfs weerstand. Maar als we de pedagogische bril durven op te zetten, zien we dat dit niet het einde van iets is, maar het begin van iets beters. We staan midden in onze collectieve puberteit. En zoals elke goede leraar en opvoeder weet: met geduld, humor en vertrouwen komt daar uiteindelijk iets moois uit.
Naïma Kassem
De crisis is niet de storing in het systeem. De crisis ís het systeem dat leert.
Meer over Naïma